Home > Justification, Perseverance of the saints, Sanctification > Heiligmaking en Volharding – Bavinck

Heiligmaking en Volharding – Bavinck

May 18, 2011

§ 46. Heiligmaking en Volharding. 1. Met de rechtvaardigmaking is de heiligmaking verbonden, welke er wel in aard maar niet in tijd van onderscheiden is. Over beider verhouding is er in de christelijke kerk altijd verschil en strijd geweest, evenals in alle godsdiensten de band van godsdienst en zedelijkheid op verschillende wijze wordt gelegd, en er onder de menschen een groot onderscheid bestaat tusschen de religieuse en de ethische naturen. Het nomisme, opkomend voor de belangen van het zedelijk leven, maakt rechtvaardigmaking van heiligmaking, godsdienst van zedelijkheid, de verhouding tot God van die tot den naaste afhankelijk. Omgekeerd let het antinomisme in de eerste plaats op de eischen van het religieuse leven, stelt de rechtvaardigmaking op den voorgrond en komt dikwerf aan de heiligmaking niet toe; de verhouding tot God staat geheel los van die tot den naaste. Werkelijk baart het, zoowel in leer als in leven, groote moeilijkheid, om godsdienst en zedelijkheid, rechtvaardigmaking en heiligmaking tot elkander in het juiste verband te stellen, cf. deel I 193. Beide zijn onderscheiden; wie ze vermengt, ondermijnt het religieuse leven, neemt den troost der geloovigen weg en maakt God aan den mensch ondergeschikt. Het onderscheid van beide is hierin gelegen, dat in de rechtvaardigmaking de religieuse verhouding des menschen tot God wordt hersteld, en in de heiligmaking zijne natuur vernieuwd en van de onreinheid der zonde bevrijd wordt. Het berust in zijn diepste wezen daarop, dat God beide rechtvaardig en heilig is. Als Rechtvaardige wil Hij, dat alle schepselen in die verhouding tot Hem zullen staan, waarin Hij hen oorspronkelijk geplaatst heeft, vrij van schuld en straf. Als Heilige eischt Hij, dat zij alle rein en onbesmet door de zonde voor zijn aangezicht zullen verschijnen. De eerste mensch werd daarom naar Gods beeld in gerechtigheid en heiligheid geschapen en had geen rechtvaardigmaking noch heiligmaking van noode, al moest hij ook der wet gehoorzaam zijn en uit hare werken gerechtvaardigd worden en het eeuwige leven ontvangen (justificatio legalis). Maar de zonde heeft den mensch met schuld beladen en hem onrein gemaakt voor Gods aangezicht. Om volkomen van de zonde verlost te worden, moet hij daarom van haar schuld bevrijd en van haar smet gereinigd |554| worden. En dat geschiedt in de rechtvaardigmaking en heiligmaking. Beide zijn dus even noodzakelijk en worden in de Schrift met gelijken nadruk gepredikt. De rechtvaardigmaking gaat daarbij in logische orde voorop, Rom. 8 : 30, 1 Cor. 1 : 30, want zij is eene justificatio evangelica, eene vrijspraak op grond van eene in het geloof ons geschonken dikaiosunj qeou, en niet x rgwn nomou; zij is eene juridische daad en in één oogenblik voltooid. Maar de heiligmaking is ethisch, zet zich voort door heel het leven, en maakt de gerechtigheid van Christus door de vernieuwende werkzaamheid des H. Geestes langzamerhand tot ons persoonlijk, ethisch bezit. Rome’s leer van de gratia of justitia infusa is op zichzelve niet onjuist, alleen is verkeerd, dat zij de ingestorte gerechtigheid tot den grond der vergeving maakt, en de religie dus bouwt op den grondslag der zedelijkheid. Maar de geloovigen worden de gerechtigheid van Christus wel waarlijk ook door infusio deelachtig. Rechtvaardigmaking en heiligmaking schenken dus dezelfde weldaden, of beter nog, den ganschen, vollen Christus; alleen verschillen zij in de wijze, waarop zij Hem schenken. In de rechtvaardigmaking wordt Hij ons geschonken in juridischen, in de heiligmaking in ethischen zin; door gene worden wij rechtvaardigheid Gods in Hem, door deze komt Hij zelf door zijnen Geest woning in ons maken en vernieuwt ons naar zijn beeld. Schoon rechtvaardigmaking en heiligmaking dus in aard onderscheiden zijn, is het van niet minder belang, het nauw verband tusschen beide geen oogenblik uit het oog te verliezen; wie ze scheidt, ondermijnt het zedelijk leven, en maakt de genade dienstbaar aan de zonde. In God zijn gerechtigheid en heiligheid niet te scheiden; Hij haat de zonde geheel en al, niet alleen zooals zij schuldig stelt maar ook zooals zij onrein maakt. De daden Gods in rechtvaardigmaking en heiligmaking zijn onafscheidelijk verbonden; oÃv de dikaiwsen, toutouv kai doxasen, Rom. 8 : 30; de dikaiwsiv brengt zwj mede, 5 : 18; wie door God is gerechtvaardigd en aangenomen tot zijn kind, deelt terstond in zijne gunst en begint onmiddellijk te leven. Voorts heeft Christus niet alleen voor de zijnen de zonde gedragen en de wet vervuld, maar Hij kon dit alleen doen, wijl Hij al in verbondsrelatie tot hen getreden was en dus hun hoofd en middelaar was. In Hem waren al de zijnen begrepen; en met en in |555| Hem zijn zij zelven gestorven, begraven, opgewekt en in den hemel gezet, Rom. 6 : 2-11, 2 Cor. 5 : 15, Gal. 2 : 20, Ef. 2 : 5, 6, Col. 2 : 12, 3 : 1 enz. Christus is hunne dikaiosunj, maar in denzelfden zin ook hun ƒgiasmov, 1 Cor. 1 : 30, d.i. niet hunne heiligheid, ƒgiotjv, ƒgiwsunj, maar hunne heiligmaking. Christus n.l. heeft door zijn lijden en sterven niet alleen de gerechtigheid aangebracht, op grond waarvan de geloovigen door God vrijgesproken worden. Maar alzoo heeft Hij ook die heiligheid verworven, waardoor Hij hen Gode wijden en van alle smet der zonde reinigen kan, Joh. 17 : 19. Zijne gehoorzaamheid tot den dood toe bedoelde toch de verlossing in hare gansche uitgestrektheid, ‡polutrwsiv niet alleen als loskooping uit de rechtsmacht der zonde, Rom. 3 : 24, Ef. 1 : 7, Col. 1 : 14, maar ook als bevrijding van haar zedelijke heerschappij , Rom. 8 : 23, 1 Cor. 1 : 30, Ef. 1 : 14, 4 : 30. Daartoe schenkt Christus zichzelven aan hen niet alleen objectief in de rechtvaardigmaking, maar Hij deelt zichzelven ook subjectief mede in de heiligmaking, en vereenigt zichzelven met hen op geestelijke, mystieke wijze. Deze unio mystica wordt door de Lutherschen steeds van de anthropologische zijde beschouwd, en komt dan natuurlijk eerst na rechtvaardigmaking en wedergeboorte in het dadelijk geloof tot stand, Schneckenburger, Vergl. Darst. I 182-225. Maar de theologische behandeling van de Gereformeerden leidde tot eene andere opvatting. De unio mystica heert haar aanvang reeds in het pactum salutis; vleeschwording en voldoening onderstellen, dat Christus hoofd en middelaar des verbonds is; het verbond komt niet eerst na Christus of ook na de overtuigende en wederbarende werkzaamheid des H. Geestes tot stand; maar Christus stond zelf in het verbond, en alle werkzaamheid des Geestes als Geest van Christus geschiedt uit en in het verbond. Er is toch geen gemeenschap aan de weldaden van Christus dan door de gemeenschap aan zijn persoon. De toerekening en schenking van Christus aan de zijnen staat voorop, en onze inlijving in Christus gaat weer vóór de actieve aanneming van Christus en zijne weldaden door de daad des geloofs. Oprecht leedwezen over de zonde, hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, toevlucht nemen tot Christus enz., zijn daden en werkzaamheden, welke het leven en dus de unio mystica onderstellen en daaruit voortvloeien. Deze vereeniging der geloovigen met Christus is eenerzijds geen pantheistische |556| vermenging van beiden, geen unio substantialis, gelijk zij door het mysticisme van vroeger en later tijd opgevat is; maar zijis toch aan den anderen kant ook geen loutere overeenstemming in gezindheid, wil en bedoeling, zooals, het rationalisme ze verstond en thans Ritschl ze weer verklaard heeft, Theol. u. Metaph. 1881. Rechtf. u. Vers. III2 106. 552 f. Gesch. d. Pietismus, 3 Bde 1880-86 passim. Herrmann, Der Verkehr des Christen mit Gott 1886. Gottschick, Luthers Lehre v.d. Gem. des Gläubigen mit Christus, Zeits. f. Th. u. K. Aug. 1898 S. 406. Wat de Schrift van deze unio mystica ons zegt, gaat veel dieper dan eene zedelijke overeenstemming in wil en gezindheid; zij verklaart uitdrukkelijk dat Christus in de geloovigen woont en leeft, Joh. 14 : 23, 17 : 23, 26, Rom. 8 : 10, 2 Cor. 13 : 5, Gal. 2 : 20, Ef. 3 : 17, en dat zij in Hem zijn, Joh. 15 : 1-7, Rom. 8 : 1, 1 Cor. 1 : 30, 2 Cor. 5 : 17, Ef. 1 : 10v.; zij zijn vereenigd als rank en wijnstok, Joh. 15, hoofd en leden, Rom. 12 : 4, 1 Cor. 12 : 12, Ef. 1 : 23, 4 : 15, man en vrouw, 1 Cor. 6 : 16, 17, Ef. 5 : 32, hoeksteen en gebouw, 1 Cor. 3 : 11, 16, 6 : 19, Ef. 2 : 21, 1 Petr. 2 : 4, 5, cf. over de unio mystica Calvijn, Inst. III 11, 5. Boquinus, Zanchius, Olevianus, Eglin bij Heppe, Dogm. d.d. Pr. II 372. Martyr, L.C. 259. Polanus, Synt. VI c. 35. Amesius, Med. Theol. 1 c. 26. Voetius, Disp. II 459. Mastricht VI c. 5. Witsias, Misc. S. II 788. M. Vitringa III 78. Comrie, Catech. op vr. 20-23. Kuyper, Het werk v.d. H.G. II 163. Pfleiderer, Paulinismus2 214 f. Krebs, Ueber die unio mystica, Marburg 1871. Weiss, Das Wesen des pers. Christenstandes, Stud. u. Krit. 1881 S. 377 417. Deismann, Die neutest. Formel n Cr. I. Marburg 1892. Deze unio mystica is echter niet onmiddellijk maar komt tot stand door den H. Geest. En ook in Hem ligt het verband vast tusschen rechtvaardigmaking en heiligmaking. De Geest, dien Jezus aan zijne discipelen beloofd en in de gemeente uitgestort heeft, is n.l. niet alleen een Geest der u³oqesia, die de geloovigen van hun kindschap verzekert, maar ook de Geest der vernieuwing en der heiligmaking. Deze Geest heeft Christus zelf bekwaamd tot zijn werk en Hem geleid van zijne ontvangenis af tot zijne hemelvaart toe. Door zijne vernedering is Christus verhoogd aan ’s Vaders rechterhand, verheerlijkt tot levendmakenden Geest, verwerver en uitdeeler van den Geest, die nu zijn Geest, de Geest van Christus is. Door dezen Geest vormt en |557| bekwaamt Hij ook zijne gemeente. De allereerste gave, welke de geloovigen ontvangen, wordt hun reeds medegedeeld door den Geest, die alles uit Christus neemt, Joh. 16 : 14. Hij is het, die hen wederbaart, Joh. 3 : 5, 6, 8, Tit. 3 : 5, het leven schenkt, Rom. 8 : 10, in de gemeenschaip met Christus inlijft, 1 Cor. 6 : 15, 17, 19, tot het geloof brengt, 1 Cor. 2 : 9v. 12 : 3, wascht, heiligt, rechtvaardigt, 1 Cor. 6 : 11, 12 : 13, Tit. 3 : 5, leidt, Rom. 8 : 14, Gods liefde in hunne harten uitstort, Rom. 5 : 5, in hen bidt, Rom. 8 : 26, allerlei deugden, Gal. 5 : 22, Ef. 5 : 9, en gaven, Rom. 12 : 6, 1 Cor. 12 : 4, vooral de liefde, 1 Cor. 13, hun meedeelt, hen leven doet naar eene nieuwe wet, de wet des Geestes, Rom. 8 : 2, 4, 1 Cor. 7 : 19, Gal. 5 : 6, 6 : 2, hen vernieuwt in verstand en wil, naar ziel en lichaam, Rom. 6 : 19, 1 Cor. 2 : 10, 2 Cor. 5 : 17, 1 Thess. 5 : 23; in één woord, de H. Geest woont in hen, en zij leven en wandelen in den H. Geest, Rom. 8 : 1, 4, 9-11, 1 Cor. 6 : 19, Gal. 4 : 6 enz. Cf. deel II 231. 249 en voorts nog Pfleiderer, Der Paulinismus2 225 f. Holtzmann, Neut. Theol. II 143 f.

Bron

Advertisements
%d bloggers like this: