Archive

Archive for May, 2011

Touch the hem of his garment

May 29, 2011 Comments off

Gospel lessons from the healing of the woman with the issue of blood (Mark 5:24-34)

* This woman who was hemmoraging blood is a picture of every sinner. She was considered unclean by the Law of God and was, in fact, slowly dying of her condition. The Scripture tells us: We are all as an unclean thing, and all our righteousnesses are as filthy rags; and we all do fade as a leaf; and our iniquities, like the wind, have taken us away (Isaiah 64:6). Our position is actually far worse that this woman’s. She contracted her disease involuntary.  We, on the other hand, have rushed into our sins and therefore must carry the guilt of voluntary involvement.

* This woman had sought healing from many physicians. However, despite doing the rounds of the greatest and best and spending all her money, she not only failed to regain her health, but actually grew worse. Now she was not only ill, but bankrupt also and the future was as bleak as ever. Many folk who are aware of the deadly nature of their sin are most anxious to find pardon nevertheless seek it in the wrong place. Many seek it in religion and even go from church to church, hoping to find relief. Others try self help groups with their various philosophies but when all is said and done, the guilt remains and they are still held captive by the Devil at his will (2 Timothy 2:26). Is my reader such a person?

* This woman saw that only Jesus Christ could give her what she was looking for. Salvation is not in any other person or group of people. Salvation is found in Jesus Christ alone. He proclaimed Himself alone as the door by which we can enter in and be saved (John 10:9). His alone is the name whereby we must be saved (Acts 4:12).

* This woman came in an act of simple faith. She considered that but touching the hem of His garment would lead to her healing. Why the hem of His garment? Usually the hem is the last part of the garment to be made. It represents the finished work. Christ’s last cry but one from the Cross was exactly this: “It is FINISHED” (John 19:30). All that is required by the law of God for our salvation is bundled up entirely in the Life and Death of our Lord Jesus Christ. He is our righteousness before God (Jeremiah 23:6). Saving faith simply lies hold upon this fact and applies it to the need of the soul.

* Her healing was immediately effected by her touch. The virtuous power left Christ and straightway she was made whole. There was nothing progressive about this. He that hath the Son, hath  [present tense] everlasting life (1 John 5:12).

* Her faith was not particularly strong. When asked to reveal herself, she came in fear and trembling. We are not saved on the basis of our faith, but through the instrumentality of our faith. In other words, the strength lies in the One to whom faith is directed, rather than faith itself. Even a weak faith saves, if placed in the Almighty Saviour.

* Many thronged the Saviour, but only one touched him with the touch of faith. Many throng him today through their religious duties. Be the one though who touches him  by faith and experiences his eternal salvation.

Source

DIE MENS IN DIE GENADEVERBOND AS REDELIK-SEDELIKE WESE GEHANDHAAF

May 22, 2011 Comments off

DIE MENS IN DIE GENADEVERBOND AS REDELIK-SEDELIKE WESE GEHANDHAAF.

Die genadeverbond maak die mens nie dood nie en behandel hom nie as stok en blok nie, maar dit neem die mens geheel en al op met sy vermoëns en kragte na siel en liggaam vir tyd en ewigheid. Daarom word die mens ook onder verpligtings geplaas en neem die genadeverbond ‘n eisende vorm aan — nie as voorwaarde vir heerlikheid nie, want die genadeverbond word onvoorwaardelik met die swak sondaarmens opgerig. Christus tog het alles volbring. Hy werk selfs die wedergeboorte, bekering en geloof. Tog neem die genadeverbond in sy bediening deur Christus die eisende vorm aan om die mens te erken in sy redelik-sedelike natuur, om ook as gevallene hom nog te behandel as na die beeld van God geskape, om op hierdie hoogste terrein, waar dit gaan om die ewige saligheid en die ewige verderf, hom verantwoordelik en onontskuldigbaar te stel, om hom met bewustheid en vryheid te doen intree in die verbond. In hierdie verband, moet ons opmerk dat ten spyte van die eensydige goddelike oorsprong daarvan, dit ook bestem word om tweesydig te ontwikkel by die wedergeborene, nl. om in die krag van God deur die mens bewus en vrywillig aanvaar te word. Daarom word die heil toegeëien — geskenk en deelagtig gemaak deur die Heilige Gees, soos die Doopsformulier dit uitdruk: “Wat (nl. die Heilige Gees) by ons wil woon en ons tot lidmate van Christus wil heilig.” Hierin behandel die Heilige Gees die mens as redelike wese. Hy pas die heil toe en bewerk die heilssekerheid. Die sakramente is ingestel om “ons deur die gebruik daarvan die belofte van die Evangelie des te beter te laat verstaan en te verseël” (Kategismus, vr. 66). Die heil word verbondmatig gegee om alle twyfel, teëspraak en kleinmoedigheid uit te sluit deur God se verbondseed. Dit moet dien tot bemoediging en versterking van ons geloof. Daarna word verwys deur Hebr. 6:17 en 18. God wil die onveranderlikheid van sy raad toon (vs. 17). Dis dinge, waarin dit onmoontlik is dat God sou lieg (vs. 18). Die genadeverbond hou dus rekening met die mens as ‘n oordelende, verstandelike wese. Dit omvat hom geheel, vernietig sy geesteskragte nie, maar ontneem hom sy onmag — maak sy wil nie dood nie, maar maak dit vry van die sonde — dit verdoof die bewussyn nie, maar verlos dit van sonde. Dit herskep die ganse mens, en laat hom dan deur die genade van God vernuut, vry en selfstandig met sy hele siel, gees en liggaam God liefhê en homself aan Hom toewy vir tyd en vir ewigheid.

Categories: Covenant Tags:

Heiligmaking en Volharding – Bavinck

May 18, 2011 Comments off

§ 46. Heiligmaking en Volharding. 1. Met de rechtvaardigmaking is de heiligmaking verbonden, welke er wel in aard maar niet in tijd van onderscheiden is. Over beider verhouding is er in de christelijke kerk altijd verschil en strijd geweest, evenals in alle godsdiensten de band van godsdienst en zedelijkheid op verschillende wijze wordt gelegd, en er onder de menschen een groot onderscheid bestaat tusschen de religieuse en de ethische naturen. Het nomisme, opkomend voor de belangen van het zedelijk leven, maakt rechtvaardigmaking van heiligmaking, godsdienst van zedelijkheid, de verhouding tot God van die tot den naaste afhankelijk. Omgekeerd let het antinomisme in de eerste plaats op de eischen van het religieuse leven, stelt de rechtvaardigmaking op den voorgrond en komt dikwerf aan de heiligmaking niet toe; de verhouding tot God staat geheel los van die tot den naaste. Werkelijk baart het, zoowel in leer als in leven, groote moeilijkheid, om godsdienst en zedelijkheid, rechtvaardigmaking en heiligmaking tot elkander in het juiste verband te stellen, cf. deel I 193. Beide zijn onderscheiden; wie ze vermengt, ondermijnt het religieuse leven, neemt den troost der geloovigen weg en maakt God aan den mensch ondergeschikt. Het onderscheid van beide is hierin gelegen, dat in de rechtvaardigmaking de religieuse verhouding des menschen tot God wordt hersteld, en in de heiligmaking zijne natuur vernieuwd en van de onreinheid der zonde bevrijd wordt. Het berust in zijn diepste wezen daarop, dat God beide rechtvaardig en heilig is. Als Rechtvaardige wil Hij, dat alle schepselen in die verhouding tot Hem zullen staan, waarin Hij hen oorspronkelijk geplaatst heeft, vrij van schuld en straf. Als Heilige eischt Hij, dat zij alle rein en onbesmet door de zonde voor zijn aangezicht zullen verschijnen. De eerste mensch werd daarom naar Gods beeld in gerechtigheid en heiligheid geschapen en had geen rechtvaardigmaking noch heiligmaking van noode, al moest hij ook der wet gehoorzaam zijn en uit hare werken gerechtvaardigd worden en het eeuwige leven ontvangen (justificatio legalis). Maar de zonde heeft den mensch met schuld beladen en hem onrein gemaakt voor Gods aangezicht. Om volkomen van de zonde verlost te worden, moet hij daarom van haar schuld bevrijd en van haar smet gereinigd |554| worden. En dat geschiedt in de rechtvaardigmaking en heiligmaking. Beide zijn dus even noodzakelijk en worden in de Schrift met gelijken nadruk gepredikt. De rechtvaardigmaking gaat daarbij in logische orde voorop, Rom. 8 : 30, 1 Cor. 1 : 30, want zij is eene justificatio evangelica, eene vrijspraak op grond van eene in het geloof ons geschonken dikaiosunj qeou, en niet x rgwn nomou; zij is eene juridische daad en in één oogenblik voltooid. Maar de heiligmaking is ethisch, zet zich voort door heel het leven, en maakt de gerechtigheid van Christus door de vernieuwende werkzaamheid des H. Geestes langzamerhand tot ons persoonlijk, ethisch bezit. Rome’s leer van de gratia of justitia infusa is op zichzelve niet onjuist, alleen is verkeerd, dat zij de ingestorte gerechtigheid tot den grond der vergeving maakt, en de religie dus bouwt op den grondslag der zedelijkheid. Maar de geloovigen worden de gerechtigheid van Christus wel waarlijk ook door infusio deelachtig. Rechtvaardigmaking en heiligmaking schenken dus dezelfde weldaden, of beter nog, den ganschen, vollen Christus; alleen verschillen zij in de wijze, waarop zij Hem schenken. In de rechtvaardigmaking wordt Hij ons geschonken in juridischen, in de heiligmaking in ethischen zin; door gene worden wij rechtvaardigheid Gods in Hem, door deze komt Hij zelf door zijnen Geest woning in ons maken en vernieuwt ons naar zijn beeld. Schoon rechtvaardigmaking en heiligmaking dus in aard onderscheiden zijn, is het van niet minder belang, het nauw verband tusschen beide geen oogenblik uit het oog te verliezen; wie ze scheidt, ondermijnt het zedelijk leven, en maakt de genade dienstbaar aan de zonde. In God zijn gerechtigheid en heiligheid niet te scheiden; Hij haat de zonde geheel en al, niet alleen zooals zij schuldig stelt maar ook zooals zij onrein maakt. De daden Gods in rechtvaardigmaking en heiligmaking zijn onafscheidelijk verbonden; oÃv de dikaiwsen, toutouv kai doxasen, Rom. 8 : 30; de dikaiwsiv brengt zwj mede, 5 : 18; wie door God is gerechtvaardigd en aangenomen tot zijn kind, deelt terstond in zijne gunst en begint onmiddellijk te leven. Voorts heeft Christus niet alleen voor de zijnen de zonde gedragen en de wet vervuld, maar Hij kon dit alleen doen, wijl Hij al in verbondsrelatie tot hen getreden was en dus hun hoofd en middelaar was. In Hem waren al de zijnen begrepen; en met en in |555| Hem zijn zij zelven gestorven, begraven, opgewekt en in den hemel gezet, Rom. 6 : 2-11, 2 Cor. 5 : 15, Gal. 2 : 20, Ef. 2 : 5, 6, Col. 2 : 12, 3 : 1 enz. Christus is hunne dikaiosunj, maar in denzelfden zin ook hun ƒgiasmov, 1 Cor. 1 : 30, d.i. niet hunne heiligheid, ƒgiotjv, ƒgiwsunj, maar hunne heiligmaking. Christus n.l. heeft door zijn lijden en sterven niet alleen de gerechtigheid aangebracht, op grond waarvan de geloovigen door God vrijgesproken worden. Maar alzoo heeft Hij ook die heiligheid verworven, waardoor Hij hen Gode wijden en van alle smet der zonde reinigen kan, Joh. 17 : 19. Zijne gehoorzaamheid tot den dood toe bedoelde toch de verlossing in hare gansche uitgestrektheid, ‡polutrwsiv niet alleen als loskooping uit de rechtsmacht der zonde, Rom. 3 : 24, Ef. 1 : 7, Col. 1 : 14, maar ook als bevrijding van haar zedelijke heerschappij , Rom. 8 : 23, 1 Cor. 1 : 30, Ef. 1 : 14, 4 : 30. Daartoe schenkt Christus zichzelven aan hen niet alleen objectief in de rechtvaardigmaking, maar Hij deelt zichzelven ook subjectief mede in de heiligmaking, en vereenigt zichzelven met hen op geestelijke, mystieke wijze. Deze unio mystica wordt door de Lutherschen steeds van de anthropologische zijde beschouwd, en komt dan natuurlijk eerst na rechtvaardigmaking en wedergeboorte in het dadelijk geloof tot stand, Schneckenburger, Vergl. Darst. I 182-225. Maar de theologische behandeling van de Gereformeerden leidde tot eene andere opvatting. De unio mystica heert haar aanvang reeds in het pactum salutis; vleeschwording en voldoening onderstellen, dat Christus hoofd en middelaar des verbonds is; het verbond komt niet eerst na Christus of ook na de overtuigende en wederbarende werkzaamheid des H. Geestes tot stand; maar Christus stond zelf in het verbond, en alle werkzaamheid des Geestes als Geest van Christus geschiedt uit en in het verbond. Er is toch geen gemeenschap aan de weldaden van Christus dan door de gemeenschap aan zijn persoon. De toerekening en schenking van Christus aan de zijnen staat voorop, en onze inlijving in Christus gaat weer vóór de actieve aanneming van Christus en zijne weldaden door de daad des geloofs. Oprecht leedwezen over de zonde, hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, toevlucht nemen tot Christus enz., zijn daden en werkzaamheden, welke het leven en dus de unio mystica onderstellen en daaruit voortvloeien. Deze vereeniging der geloovigen met Christus is eenerzijds geen pantheistische |556| vermenging van beiden, geen unio substantialis, gelijk zij door het mysticisme van vroeger en later tijd opgevat is; maar zijis toch aan den anderen kant ook geen loutere overeenstemming in gezindheid, wil en bedoeling, zooals, het rationalisme ze verstond en thans Ritschl ze weer verklaard heeft, Theol. u. Metaph. 1881. Rechtf. u. Vers. III2 106. 552 f. Gesch. d. Pietismus, 3 Bde 1880-86 passim. Herrmann, Der Verkehr des Christen mit Gott 1886. Gottschick, Luthers Lehre v.d. Gem. des Gläubigen mit Christus, Zeits. f. Th. u. K. Aug. 1898 S. 406. Wat de Schrift van deze unio mystica ons zegt, gaat veel dieper dan eene zedelijke overeenstemming in wil en gezindheid; zij verklaart uitdrukkelijk dat Christus in de geloovigen woont en leeft, Joh. 14 : 23, 17 : 23, 26, Rom. 8 : 10, 2 Cor. 13 : 5, Gal. 2 : 20, Ef. 3 : 17, en dat zij in Hem zijn, Joh. 15 : 1-7, Rom. 8 : 1, 1 Cor. 1 : 30, 2 Cor. 5 : 17, Ef. 1 : 10v.; zij zijn vereenigd als rank en wijnstok, Joh. 15, hoofd en leden, Rom. 12 : 4, 1 Cor. 12 : 12, Ef. 1 : 23, 4 : 15, man en vrouw, 1 Cor. 6 : 16, 17, Ef. 5 : 32, hoeksteen en gebouw, 1 Cor. 3 : 11, 16, 6 : 19, Ef. 2 : 21, 1 Petr. 2 : 4, 5, cf. over de unio mystica Calvijn, Inst. III 11, 5. Boquinus, Zanchius, Olevianus, Eglin bij Heppe, Dogm. d.d. Pr. II 372. Martyr, L.C. 259. Polanus, Synt. VI c. 35. Amesius, Med. Theol. 1 c. 26. Voetius, Disp. II 459. Mastricht VI c. 5. Witsias, Misc. S. II 788. M. Vitringa III 78. Comrie, Catech. op vr. 20-23. Kuyper, Het werk v.d. H.G. II 163. Pfleiderer, Paulinismus2 214 f. Krebs, Ueber die unio mystica, Marburg 1871. Weiss, Das Wesen des pers. Christenstandes, Stud. u. Krit. 1881 S. 377 417. Deismann, Die neutest. Formel n Cr. I. Marburg 1892. Deze unio mystica is echter niet onmiddellijk maar komt tot stand door den H. Geest. En ook in Hem ligt het verband vast tusschen rechtvaardigmaking en heiligmaking. De Geest, dien Jezus aan zijne discipelen beloofd en in de gemeente uitgestort heeft, is n.l. niet alleen een Geest der u³oqesia, die de geloovigen van hun kindschap verzekert, maar ook de Geest der vernieuwing en der heiligmaking. Deze Geest heeft Christus zelf bekwaamd tot zijn werk en Hem geleid van zijne ontvangenis af tot zijne hemelvaart toe. Door zijne vernedering is Christus verhoogd aan ’s Vaders rechterhand, verheerlijkt tot levendmakenden Geest, verwerver en uitdeeler van den Geest, die nu zijn Geest, de Geest van Christus is. Door dezen Geest vormt en |557| bekwaamt Hij ook zijne gemeente. De allereerste gave, welke de geloovigen ontvangen, wordt hun reeds medegedeeld door den Geest, die alles uit Christus neemt, Joh. 16 : 14. Hij is het, die hen wederbaart, Joh. 3 : 5, 6, 8, Tit. 3 : 5, het leven schenkt, Rom. 8 : 10, in de gemeenschaip met Christus inlijft, 1 Cor. 6 : 15, 17, 19, tot het geloof brengt, 1 Cor. 2 : 9v. 12 : 3, wascht, heiligt, rechtvaardigt, 1 Cor. 6 : 11, 12 : 13, Tit. 3 : 5, leidt, Rom. 8 : 14, Gods liefde in hunne harten uitstort, Rom. 5 : 5, in hen bidt, Rom. 8 : 26, allerlei deugden, Gal. 5 : 22, Ef. 5 : 9, en gaven, Rom. 12 : 6, 1 Cor. 12 : 4, vooral de liefde, 1 Cor. 13, hun meedeelt, hen leven doet naar eene nieuwe wet, de wet des Geestes, Rom. 8 : 2, 4, 1 Cor. 7 : 19, Gal. 5 : 6, 6 : 2, hen vernieuwt in verstand en wil, naar ziel en lichaam, Rom. 6 : 19, 1 Cor. 2 : 10, 2 Cor. 5 : 17, 1 Thess. 5 : 23; in één woord, de H. Geest woont in hen, en zij leven en wandelen in den H. Geest, Rom. 8 : 1, 4, 9-11, 1 Cor. 6 : 19, Gal. 4 : 6 enz. Cf. deel II 231. 249 en voorts nog Pfleiderer, Der Paulinismus2 225 f. Holtzmann, Neut. Theol. II 143 f.

Bron

May 4: Ye Of Little Faith (via The Octavius Winslow Archive)

May 10, 2011 Comments off

"Why are you so fearful? how is it that you have no faith?" Mark 4:40 The habitual, or even the occasional, doubtful apprehension indulged in of his interest in Christ will tend materially to the enfeebling and decay of a believer's faith; no cause can be more certain in its effects than this. If it be true that the exercise of faith develops its strength, it is equally true that the perpetual indulgence of doubtful apprehensions of pardon and ac … Read More

via The Octavius Winslow Archive

Categories: Uncategorized